banner

Willekeur bij hoogte van bouwleges

De Vereniging Eigenhuis wees in een persbericht van 15 augustus jl. (weer) op willekeur van gemeenten bij de bepaling van de hoogte van bouwleges. De rechter volgt echter de gemeente veelal ingeval van bezwaar tegen de bouw leges. In een uitspraak van het Hof Leeuwarden legde het Hof Leeuwarden in wezen nog eens uit waardoor dat komt.

Bouwleges worden, net als andere leges, geheven op basis van artikel 229b Gemeentewet:
“Rechten kunnen worden geheven ter zake van (…) b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;.”
Dat wordt ook wel genoemd de “opbrengstenlimiet”.

Raming en inzichtelijkheid.
De tarieven worden zodanig vastgesteld dat de geraamde baten (de leges) niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. Daarbij gaat het niet om een raming per dienst die de gemeente levert en zelfs niet om een raming van een groep van diensten. Waar het om gaat is, dat er een raming is van de opbrengsten en kosten van de diensten die in de betreffende verordening zijn geregeld.

De vaststelling mag dus berusten op een gemeentelijke raming.

In een bezwaar moet tenminste worden aangevoerd:
-  dat betwijfeld mag worden dat de gemeente feitelijk juiste gegevens aan de raming heeft uitgevoerd, of
-  dat betwijfeld mag worden dat één of meer posten in de raming mogen worden betrokken.
Die twijfel moet gemotiveerd worden door de bezwaarmaker.

In eerdere rechterlijke uitspraken is uitgemaakt dat, als er sprake is van twijfel die voldoende gemotiveerd is, de gemeente (de heffingsambtenaar) dan – naar vermogen - inzicht moet verschaffen in de desbetreffende gegevens en ramingen. Dat inzicht kan verschaft worden op basis van de gemeentelijke begroting. Ook mogen andere gegevens door de gemeente worden genoemd, waaronder gegevens die (nog) niet bekend waren ten tijde van de vaststelling van de verordening. Maar het moet terug te voeren zijn op de begroting. Het moet “comptable” zijn.

Als de heffingsambtenaar aan zijn  verplichting heeft voldaan om inzicht te verlenen en de bezwaarmaker niet stelt, dat de daarbij verstrekte feitelijke gegevens onjuist zijn, moet de rechter – uitgaande van de feiten – vaststellen of er sprake is van een last die bedoeld is in de verordening. Als dat niet zo is, moet de rechter nog beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden.

Indien de bezwaarmaker wél stelt dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, draagt hij de bewijslast van zijn stelling dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, omdat die onjuistheid een voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat hij in wezen inroept: onverbindendheid van de verordening.

Anders gezegd: wil je succesvol zijn in een bezwaar tegen de hoogte van bouwleges, dan moet je welhaast de gemeentebegroting over doen. En zou je het bij één gemeente helemaal hebben onderzocht, dan geldt dat niet direct voor ook andere gemeenten. Per  gemeente zijn er verschillen in de organisatie (en daarmee de kosten). Bovendien kunnen verordeningen per gemeente verschillen. Niet voor niets stelt de VEH in het persbericht: Eerdere pogingen van minister Plasterk om gemeenten aan te moedigen gebruik te maken van het 'uniforme kostenmodel' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben geen enkel resultaat gehad. Nog maar 20% van de gemeenten gebruikt dit model, vorig jaar was dat nog 30%. Van enige harmonisatie van bouwleges is dan ook absoluut geen sprake.

Systeem van de regelgeving
De roep om harmonisatie is in wezen niets anders dan het vaststellen van criteria die niet per gemeente kunnen verschillen en waaraan (door de rechter, in individuele gevallen) exact kan worden getoetst. Het criterium dat nu aan gemeenten wordt opgelegd is in wezen niks anders dan “verstrekken van inzicht”. In de praktijk is dat een criterium dat is aan te merken als diffuus. En is inzicht verleend, dan moet je als rechtzoekende vervolgens bewijzen dat de gemeente onjuiste feiten aan het inzicht ten grondslag legt. Dat is voor een burger die-, of bedrijf dat wil bouwen een relatief (te) zware en kostbare opgave.

Kan de gemeente dan maar raak heffen? Gelukkig is er de Gemeenteraad. En de Gemeenteraad is bevoegd om een Rekenkamer in te stellen. De Gemeentewet bepaalt in artikel 182 en 183 onder meer:
-  de Rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur (= B&W) gevoerde bestuur. (….)
-  op verzoek van de raad kan de Rekenkamer een onderzoek instellen.
-  de Rekenkamer is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur (= B&W) te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van haar taak nodig acht
-  het gemeentebestuur (= B&W) verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de rekenkamer ter vervulling van haar taak nodig acht.

Conclusie
De Gemeente(raad), bijgestaan door een Rekenkamer kan waarschijnlijk meer dan een rechter. Wellicht is dat de reden waarom de rechter wat terughoudend blijft bij de beoordeling van de (hoogte van) bouwleges. Er zijn immers al waarborgen voor toezicht op B&W in de Gemeentewet opgenomen.

Link: www.eigenhuis.nl/kosten-bouwvergunning-blijven-willekeur

terug naar overzicht